Meditatie - December

Update: 9 december 2017
Nieuwe update: D.V. 6 januari 2018

Een geboortelied gezongen in een donkere tijd

Deze zal ons troosten over ons werk en over de smart onzer handen, vanwege het aardrijk, dat de HEERE vervloekt heeft. (Gen. 5:29)

Het is opmerkelijk dat wij tot tweemaal toe de naam Lamech lezen in het begin van Gods Woord. In Gen. 4 wordt ons een Lamech genoemd uit het geslacht van Kaïn en in Gen. 5 gaat het over een Lamech uit het geslacht van Seth. Wat een verschil is er echter tussen die twee! De eerste Lamech is een toppunt van ongerechtigheid. Naar de wereld heeft die man alles. Hij heeft talentvolle kinderen, die verschillende uitvindingen hebben gedaan, die het leven van de mens veraangenamen. Zij zijn de bouwers van een cultuurleven zonder God. Lamech heeft God niet meer nodig. Hij kan het zelf wel. Zo zingt hij in ijdele trots zijn wraak- en zwaardlied. Waarin het zo duidelijk uitkomt dat hij God niet nodig heeft. Hij openbaart zich als een vijand van God en van zijn naaste.
Heel anders is het echter met de Lamech uit de heilige geslachtslinie van Seth. Hij zingt ook een lied. Maar in dat lied komt het zo duidelijk uit, dat hij het verwacht van de Heere. Dat hij zich afhankelijk mag weten van de troon der genade. Hij heeft ook een lied gezongen. Hij zong een lied bij de geboorte van zijn zoon. En dat geboortelied is tevens een adventslied. Dat adventslied werd gezongen in een donkere tijd. In een tijd waarin de goddeloosheid van het geslacht van Kaïn meer en meer openbaar kwam. Een tijd waarin de bewoners van de oude wereld zich rijp maakten voor het rechtvaardige oordeel van de zondvloed. Het was een donkere tijd, want de wolken van het oordeel hingen laag over de oude wereld. Maar ook in die tijd had de Heere nog een overblijfsel naar de verkiezing van zijn genade. Tot dat overblijfsel mag Lamech door genade behoren. Dat komt niet omdat hij afstamt van Seth, maar het is alleen Gods genade, waardoor de Heere een onderscheid heeft gemaakt waar het niet was.
Ook wij leven in een donkere tijd. De goddeloosheid neemt hand over hand toe. Het wordt steeds donkerder op de aarde. De rechtvaardige wordt weggeraapt voor het kwaad en niemand let er op. Er komen steeds minder zuchters op deze aarde. De Heere haalt Zijn huisraad thuis. Toch zullen Gods kinderen er zijn tot de jongste dag toe. Pas als de laatste is toegebracht zal het einde komen. De Heere maakt Zijn werk af.
Zo was het ook in de dagen van de Lamech uit het geslacht van Seth een donkere tijd. De duisternis gaat altijd aan het licht vooraf. Zo is het in het rijk der natuur en zo is het nu ook in het rijk der genade. Lamech heeft de goddeloosheid zien toenemen. Hij heeft niet alleen de goddeloosheid onder de mensen zien toenemen, maar hij zag ook rondom zich heen hoe het aardrijk door de HEERE vervloekt was. Wat heeft dat alles Lamech gesmart. Hij kent de ellende uit zijn eigen leven. Hij kent de ellende van zijn geslacht. Lamech kan daar niet mee leven. Hij kan niet over de zonde en over de vloek heen leven. Van nature heeft een mens daar geen enkele moeite mee. Maar voor Lamech is het een dagelijkse strijd. Het aardrijk brengt doornen en distelen voort. Dagelijks heeft Lamech daartegen te strijden. Lamech heeft echter niet alleen dagelijks te strijden tegen de doornen en de distelen, die het aardrijk voortbrengt, maar hij heeft ook te strijden tegen de doornen en de distelen in zijn eigen bestaan. Ook zijn hart brengt doornen en distelen voort. Wat heeft Lamech er wel niet aan gedaan om die doornen en die distelen in zijn eigen bestaan uit te roeien. Maar nu is Lamech met al zijn werken aan een einde gekomen.
Weten wij ook van die doornen en die distelen, die er groeien op de akker van ons hart? Weten wij van die strijd? Van nature strijden wij ook een strijd, maar dat is de verkeerde strijd. Dan strijden wij voor onszelf net als Lamech uit het geslacht van Kaïn. Van nature strijden wij tegen God en tegen onze naaste. Alleen door Gods genade gaan wij die goede strijd strijden. Dat is een strijd tegen onszelf. Tegenover een boos en verdorven bestaan. Wat een doornen en een distelen komen wij dan tegen in ons leven. Als de Heere dat goede werk begint in het hart van een mens dan meent hij dat hij in eigen kracht die doornen en distelen uit te kunnen roeien. Maar ontdekkende genade leert dat de wortels van die doornen en distelen onuitroeibaar zijn. Dan loopt een mens vast met al zijn werk. Zo is het met Lamech nu ook gegaan. Hij is aan het einde gekomen met al zijn werk. Wat is dat toch noodzakelijk. Een godsdienstig mens komt nooit op dat plaatsje. Die wordt wat met zijn werken. Die wordt wat met zijn godsdienstig leven. Die is niet ontdekt aan de wortels van die doornen en distelen in zijn eigen hart. Daar zijn wij van nature zo blind voor. De Heere moet daar onze ogen voor openen. Maar als de Heere onze ogen daarvoor opent wat veroorzaakt dat dan een diepe smart in het leven. Die smart is daarom zo diep, omdat zij een liefdesmart is. Die doornen en die distelen zijn er gekomen door onze zonde. Dan gaan wij zien dat het eigen schuld is. Dat wij schuldig zijn en dat God rechtvaardig is.
Lamech is zo met alles aan een einde gekomen en toen werd er een kind geboren. Lamech stond aan het kraambed van zijn vrouw en toen werd hij weer bepaald bij de val in het paradijs. Want daar werd het openbaar wat de Heere tot de vrouw gesproken heeft in het paradijs: ‘Met smart zult gij kinderen baren.’ Zo spreekt de geboorte van Noach van smart. De smart die er gekomen is door de zonde. Want in het paradijs was geen smart. Maar de geboorte van Noach spreekt ook van troost. Lamech heeft zijn zoon niet voor niets de naam van Noach gegeven. De naam Noach betekent immers: ‘vertroosten’. Lamech mag door de bediening van de Heilige Geest geloven dat er troost is bereid. Niet vanuit het werkverbond want dat is door de mens verbroken, maar nu is er ook een genade-verbond.
Door de genade des geloofs gewerkt door de Heilige Geest mag Lamech van dat geboren kind belijden: ‘Deze zal ons troosten over ons werk en over de smart onzer handen’. De vervulling van dat geboortelied van Lamech vindt plaats in het Kind van Bethlehem. Hij is geboren uit een vrouw en geworden onder de wet. Hij is gekomen om het werkverbond dat wij verbroken hebben voor Zijn volk te vervullen. Hij is volkomen gehoorzaam geweest aan Zijn Vader. Door lijdelijke en dadelijke gehoorzaamheid heeft Hij de wet vervuld en de straf gedragen en zo de hemelhoge schuld van Zijn volk betaald. Daartoe moest Hij geboren worden. Moest Hij mens worden. Om zo in de plaats van Zijn volk te gaan staan. Hij heeft de vloek weggenomen. Hij droeg de doornenkroon, het teken van de vloek. Hij werd gehecht aan het vloekhout van Golgotha. Zo werd Hij een vloek. Hij werd een vloek om zo vloekwaardige zondaren zalig te kunnen maken. Dat was de troost die Lamech mocht ervaren bij de geboorte van zijn zoon Noach. Lamech heeft gewerkt. Hij heeft hard gewerkt, maar met al zijn werken is hij vastgelopen. Bent u ook al vastgelopen met uw werken? Dat is geen verlies, maar dat is juist winst, want zo komt er plaats voor het Kind van Bethlehem. Voor Lamech werd het waarlijk Kerstfeest. Het feest van Gods geschenk. Van Gods onuitsprekelijke Gave.
Lamech kende smart door de ontdekkende bediening van de Heilige Geest, maar nu is de Heilige Geest ook de Trooster. Hij is de andere Trooster. Hij is het die de zielsogen komt te openen voor de dierbaarheid, de noodzakelijkheid, de gepastheid van het Kind van Bethlehem. Dan mag die troost van Lamech ook nu nog ervaren worden. Die troost mocht de oude Simeon ervaren toen hij het Kind in Zijn armen mocht nemen. Hij mocht hetzelfde lied zingen als Lamech. Hij mocht zingen van die vrije gunst, die eeuwig God bewoog: ‘Nu laat Gij Heere, Uw dienstknecht gaan in vrede, naar Uw Woord, want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien.’ Zo geeft de Heilige Geest een oog om te zien wat andere niet zien. Hoeveel mensen zullen er wel niet bij Lamech en zijn vrouw op kraambezoek zijn geweest, maar zij hebben niet gezien wat Lamech heeft gezien. Wij vieren straks als de Heere het geeft allemaal Kerstfeest het feest van Gods geschenk, maar het Kerstfeest is een feest voor degenen die geen troost meer vinden in hun werken. Zij worden getroost met dat Kind en het werk van dat Kind. En straks zal God alle tranen van hun ogen afwissen. Dat is het uitzicht van Gods Kerk dan zal het een eeuwige blijdschap zijn. Daar zal geen smart meer zijn. Dan zal er een eeuwige rust overblijven voor het volk van God.

Ds. B. Reinders


(bron: kerkbode december 2017 van HHG Graafstroom)
Ontwerp & Realisatie: Daniël Lock © 2009 - 2018 | Contact | Disclaimer | Sitemap | Zondag 24 juni 2018